Van de vijf kardinaaltetra's (van die kleine, beetje lichtgevende tropische visjes) die we in het aquarium hadden gebracht, leven er nog maar drie. 'We moeten ze aanvullen', zegt zoon. De viswinkelmevrouw had gezegd dat kardinaaltetra's in scholen van minimaal vijf leven. 'Zullen we dan binnenkort maar weer twee visjes kopen?', stel ik voor. 'Of drie', reageert zoon, 'dan hebben we er een reserve.'
'Zo ben ik ook reserve', zeg ik. 'Eerst werd mijn oudste broer geboren. Mijn ouders vonden dat zo leuk, dat ze dachten: nog eentje, als reserve. Maar toen vonden ze twee kinderen leuk en wilden ze weer eentje als reserve. Enzovoort, tot er, net als bij onze kardinaaltetra's eerst, vijf kinderen waren. En toen werd ik de reserve. En ik ben dat gebleven, want na mij is er nooit een vervangende reserve gekomen.'
Gelukkig weet zoon wel wanneer ik een grapje maak. Je kunt het trouwens ook andersom zien. De eerste vijf waren proeflapjes, telkens ietsje beter. En ik was het echie.
24 maart 2012
Reserve
21 maart 2012
Boe!
Een meer dan ferme handdruk krijg ik van politieagent Ben. Ik moet uit alle macht terugknijpen om mijn hand niet te laten vermorzelen. Zoveel is duidelijk: deze wijkagent kent de kneepjes van het vak.
Hij bestudeert wat er over is van de trompetklimmer, maar nog meer geïnteresseerd is hij in de appelboom. Vanmorgen zag ik namelijk ineens dat daar een stuk van miste. En bij nadere beschouwing bleken daar verse zaagsneden te zijn, veel lichter van kleur dan de sneden van mijn snoeibeurt in het najaar. Omdat er nergens takken te bespeuren waren van deze roof, had ik zelfs nog even - met bonkend hart - in de gft-bak van de buren gespied. Daar zag ik heel veel tuinafval (bijzonder, want ze hebben geen tuin), maar dat was vooral de vlinderstruik van de buren aan hun andere kant.
Ik vertel de agent dus dat ik voor die appelboom geen enkel bewijs heb dat de buurman het heeft gedaan, maar dat er een flink stuk van de kroon ontbreekt kan hij ook zien: de boom staat uit het lood. En ook die verse sneden zijn duidelijk. De agent vindt het serieus. De trompetklimmer kunnen ze nog vanaf hun eigen pleintje over de schutting heen verknipt hebben, maar de appelboom staat te ver van de schutting, daarvoor moet de boosdoener in onze tuin zijn geweest. Waarom ik denk dat het de buurman is geweest, vraagt hij. Omdat alleen hij iets heeft met zagen in combinatie met bomen in onze tuin.
De wijkagent neemt plaats aan de keukentafel en pakt een allerschattigst klein notitieboekje uit zijn binnenzak. Ik verbaas me erover dat de hand die mijn hand zo ferm kneep het boekje niet verkreukelt. In dat miniboekje noteert hij in allerschattigst klein handschrift de gegevens. En hij vertelt mij hoe lastig dit soort buren-boom-gedoe is, omdat de boom echt dood moet gaan voor er sprake is van vernieling. Hoe zijn eigen buurvrouw ooit een boom in zijn tuin vergiftigd had, waar hij, omdat zij ontkende, ook niets tegen kon doen dan alleen de dode stomp nog jaren laten staan om haar te treiteren. En hij benoemt dat het heel vervelend is als buren zo ingrijpen in jouw leven. Precies. Dat is het. Net als met inbraak (ook al eens meegemaakt) of lijfelijke inbreuk: mijn gevoel van veiligheid is aangetast. Ons territorium is geschonden en ik ben op mijn hoede voor de volgende keer dat het weer geschonden wordt.
De agent vraagt wat ik wil. Ik wil tips hoe hiermee om te gaan en ik wil dat hij weer even heel hard boe roept tegen de buurman, zodat die weer voldoende geschrokken is. Want een ding weet ik vrijwel zeker: als er geen boe wordt geroepen, gaan ze net als vorige keer elke week een stukje verder.
De agent wil wel boe gaan roepen. Hij herinnert zich ons vorige conflict over de els. Hij maakt ook een melding voor in het dossier. En ik krijg tips: een eigen schutting naast de gezamenlijke schutting, dan is er geen discussie mogelijk of we er iets tegenop mogen laten groeien. En misschien zou een bewakingscamera handig zijn, zodat we een volgende keer beelden hebben. En dan vertrekt hij met weer een ferme handdruk.
Als de politie twintig minuten later bij de buren is vertrokken hoor ik in de tuin hoe een geagiteerde buurman zijn vrouw op haar werk belt. En hoe even later zij tweeën, als zij thuis is, een heftig gesprek voeren. Zoveel is duidelijk: de agent heeft duidelijk boe geroepen.
20 maart 2012
Plof
Ineens zie ik dat er iets mist. De gele trompetklimmer (hier links een zalmroze exemplaar) die tegen de schutting op groeide en vorig jaar voor het eerst - sinds ik hem drie jaar geleden kocht - bloeide, is weg. Er staat alleen nog een stammetje. En verspreid over de grond liggen de afgeknipte takken.
Weg zonnige lentedag.
Ik tril.
Ik kook.
Ik zied.
In één klap ben ik terug bij het grote conflict twee jaar geleden over onze es. De es die de buurman had kapotgezaagd. Na de buurtbemiddeling kwam de politie er nog bij, die hen liet weten dat ze van onze eigendommen moesten afblijven.
Na telefonisch overleg besluit ik nog niet direct tot actie over te gaan. Eerst de wijkpolitie bellen. Maar die is er niet. Morgen pas weer. En ondertussen borrelen snode plannen, ik zoek een uitlaatklep. Ik kan de plannen uitvoeren of ze hier opschrijven. Ik kies het laatste. Het eerste kan altijd nog.
De plannen, in willekeurige volgorde:
Een pot menie uitgieten over hun dure natuurstenen pleintje.
Chloor in de zeven halfdode potplanten.
Op de versgeschilderde latei graffity spuiten met onbehoorlijke teksten.
Op het schuurtje aan de fietspadzijde graffity'en: wij zijn gek.
Hun miniatuurboompje op de gemeentegrond achter hun tuintje omzagen.
Alle draadjes naar hun blauwe neon-buitenverlichting doorknippen.
Of gewoon die verlichting weghalen.
En dan ook gelijk die bouwlamp aan de gevel weghalen.
Nog een pot menie over hun pleintje.
Alle hondendrollen uit het parkje verzamelen en op hun stoepje gooien. En dit minimaal een maand lang elke dag herhalen.
Onze kattenbak dagelijks legen op hun terras.
Hun huis te koop zetten op Marktplaats, met hun telefoonnummer erbij.
Vertegenwoordigers van diverse pluimage bij hen uitnodigen. Te beginnen met een overlijdensrisicoverzekeraar.
Een fakebrief van een GGZ-instelling waarin ze worden uitgenodigd om te komen praten over hun problemen.
's Nachts hun ramen zwart schilderen.
De schotelantenne op hun dak telkens verdraaien.
Hun schotelantenne bij het grofvuil zetten.
Het lucht een heel klein beetje op. Maar nog lang niet voldoende.
11 februari 2012
Seniorkatten
De twee hoogbejaarden hier in huis zijn ook niet meer zo charmant als in hun jeugd. Bijna achttienjarige poes Saartje stinkt akelig uit haar bek en is al een tijdje nogal leip. Vrijwel doof en waarschijnlijk dement, geeft ze op gezette tijden met haar gezicht naar de muur in de woonkamer, of als de kinderen bijna slapen in het duister op de overloop een concert alsof ze een operadiva is. Mensen die haar voor het eerst horen zijn verbijsterd dat er zo veel geluid kan komen uit zo'n klein kattenlijfje. We proberen haar concert te vangen op ons mobieltje, maar zodra ze menselijke activiteit en aandacht opmerkt, is het concert afgelopen. Meestal is ze zeer bedaagd, maar soms ineens heeft ze de kolder in de kop en trekt ze een sprintje door de kamer.
Tommy is Saartje's tweelingbroer. Hij is niet meer zo'n zenuwpees als vroeger, maar magerder dan ooit. Als je hem aait, doet het zeer aan je handen. Hij bedelt vaak om eten, maar likt meestal alleen de gelei tussen de brokjes op. Daar kom je niet echt van aan. Bovendien heeft hij regelmatig diarree. Ook hij ruikt allesbehalve aangenaam.
Sinds een tijdje kweekt Tommy akelige klitten in zijn vacht. Hij vindt het maar niets dat we die proberen eruit te kammen, waarschijnlijk is zijn huid door uitdroging ook nog eens extra gevoelig. Maar als we er niets aan doen, blijft soms een heel stuk vacht ergens haken en heeft hij een grote kale plek op zijn huid. Dat lijkt ons ook niet aangenaam. Dus nu pakken we met regelmaat een schaar en houden twee mensen hem in bedwang terwijl de derde probeert met schaar en kam met zo min mogelijk schade klit voor klit te verwijderen. Gister nam ik een grote klit op zijn onderrug te grazen. Nog net op tijd had ik in de gaten dat dat witte stuk dat op klit leek, zijn flinterdunne, plaatselijk omhooggetrokken vel was. Phiew. Bijna een kat opengeknipt.
Niet meer zo charmant dus. Maar al bijna zeventien jaar bij ons. Dat schept een band, waardoor je meer van ze kunt hebben dan van een vreemde. Maar dat snapt het bezoek niet altijd gelijk. Misschien moeten we een bordje op de deur hangen: 'Pas op! Stinkende katten! Betreden op eigen risico.'
09 februari 2012
Piekertalent
Eindelijk staat mijn moeder op de wachtlijst voor het verzorgingshuis. Tien jaar nadat we als broers en zussen het erover hadden. Een jaar nadat mijn moeder zelf overtuigd was dat het geen kwaad kan. Een halfjaar voordat ze negentig wordt.
Het duurt nog zeker een halfjaar, misschien wel anderhalf jaar voor ze daadwerkelijk in het verzorgingshuis terecht kan. Spoedgevallen gaan altijd voor. Maar misschien wordt ze zelf op een dag wel zo'n spoedgeval. En dan is het gunstig dat ze al op de wachtlijst staat: ze is gescreend, men heeft een lijvig dossier, in feite is wat het verzorgingshuis alles geregeld behalve de kamer: daar zit nu nog iemand anders in.
En nu komt het gepieker. Daar is mijn moeder heel goed in. Ze heeft al twaalf verhuizingen meegemaakt, dus je zou zeggen dat ze het klappen van de zweep kent. Maar elke verhuizing is maanden crisis, voor iedereen maar voor haar nog iets meer. En nu wordt het extra lastig omdat ze van groot naar klein verhuist en dus moet loslaten. Veel moet loslaten.
Stel je haar even voor: ze woont in een grote flat vol met mooi met sierplastic beplakte ex-waspoeder en ex-broodbelegdozen, die zo een tweede leven krijgen als doos voor losse blaadjes, knutselspullen, tijdschriften, bonnetjes en ansichtkaarten. Een tas vol plastic bakjes 'die misschien weleens handig zijn voor het een of ander', een tas voor grote plastic tassen en een tas voor kleinere plastic tassen, een tas voor de medicijnbekertjes ('Leuk voor jouw kinderen om mee te spelen?') en ga zo maar door. Her en der staan kasten en kastjes met zonde-om-weg-te-gooienspullen en je-weet-maar-nooit-waar-het-ooit-nog-goed-voor-isdingen.
Heel goed geordend allemaal, want geordend is ze, noodgedwongen. Alles heeft een vaste plaats, zo vindt ze het altijd terug TENZIJ iemand anders het heeft verplaatst. Dankzij haar sterke alles-zijn-plaatsregime kan ze heel veel herbergen zonder dat het een rommel wordt.
Maar weggooien is niet haar sterkste kant. Behalve dan een heel enkele keer als ze het echt niet meer overziet, vlak voor een verhuizing bijvoorbeeld. Dan doet ze in een keer alles weg, inclusief eerste drukken, gesigneerd en wel, van het kinderboek dat mijn vader schreef, mooiste kinderknutsels en eerste kinderschoentjes.
Met een nieuwe verhuizing - ooit - in het verschiet is ze gelijk weer begonnen met piekeren. Wat ze moet weggooien. Of ze alvast een opkoper zal bellen voor de boeken die ze niet meer wil lezen.
'Nee', zeg ik, 'die boeken staan niet in de weg. Als u nou een schriftje aanlegt waarin u zo nu en dan opschrijft wat u wèl graag wilt meenemen. Niet alleen qua boeken, maar ook meubels, wandversiering, knutselspul. Dan zorgen wij als kinderen voor wat er niet meegaat, zodra u bent verhuisd.'
'Een boekenkast wil ik mee, kan dat denk je?'
'Dat lijkt me wel.'
'Maar daar moeten wel veel boeken uit eerst.'
'Nee, denkt u nou andersom: niet wat eruit moet, maar wat u erin wilt hebben straks.'
Op je 89-ste leer je niet zomaar een andere denkstrategie aan. En straks komt er misschien een kink in de kabel en heeft ze helemaal voor niets zich drukgepiekerd.
06 november 2011
Neus
Mijn buurvrouw slaat op tilt van elk blaadje dat op hun terras valt. Dat heeft al eens geleid tot hoogoplopende conflicten, inclusief politie en buurtbemiddeling, nadat de buurman onze boom had omgezaagd. Sinds dat akkefietje spreken we niet meer met elkaar. Wel zo rustig, want daarvoor was een klacht over een blaadje of een takje van klimop of klimroos ook het enige waarover de buurvrouw ons wilde 'spreken'.
Agressie brengt me van mijn stuk, ik word er intens verdrietig van en boos om. De verbale agressie van de buurvrouw - met Siciliaans accent en scherpe stem knettert ze er allerlei idiote verwijten uit en is niet voor rede vatbaar - in combinatie met de fysieke agressie van de wat stillere buurman - zomaar de boom van je buren omzagen vind ik tenminste wel een daad van agressie - maakt hen tot mensen die ik liever ontwijk. Ze wonen er, wat mij betreft verhuizen ze zo snel mogelijk, maar zo lang ze dat niet doen, bestaan ze niet.
Maar nu wachtten we al meer dan een week op een gesigneerd boek dat naar dochter Algje was verstuurd. Het werd tijd om bij de buren te informeren of het daar was afgegeven. Bij de buren die een maand geleden meneer Algje nog de huid vol scholden omdat een pakje voor hen twee dagen bij ons had gelegen. Gelijk hadden ze de 'afspraak' gemaakt dat we nooit meer pakjes voor ze zouden aannemen, want drie keer per week was het raak. Maar ja, nu moesten we bij hen vragen of er iets voor ons was bezorgd. Zouden zij onze pakjes wel aannemen? Zouden ze ze uit wraak ook een paar dagen achterhouden? Of stiekem zelf houden? Alles is mogelijk bij deze mensen.
Hij deed de deur open. Meteen viel mijn oog op een grote, verse wond op zijn neus. Zeker drie bij drie centimeter lag het vel eraf, alsof zijn neus met een scheermesje geschild was. En ik kon me nog maar net inhouden, anders had ik een opmerking geplaatst dat de buurvrouw dat zeker had gedaan. Ik was zo afgeleid dat ik weer even moest zoeken naar mijn vraag. Er was geen pakje voor ons bij hen bezorgd. Zei hij.
17 oktober 2011
2x broos
Eind jaren tachtig woonde ik in een tochtig benedenwoninkje van de woningbouwvereniging, in wat tien jaar later stadsvernieuwing werd. Ik was er blij mee en kon het goed vinden met de meeste buren. Alleen met buurvrouw-links kreeg ik geen contact. Het mocht niet van haar dochter, zei ze door de brievenbus. Ze mocht voor niemand opendoen, want het was een slechte buurt vol gevaarlijke mensen.
Een jaar later stond ik voor het eerst en voor het laatst in haar huis. Samen met de nicht van de buurvrouw die in de buurt moest zijn en even door het raam naar binnen had gekeken. De buurvrouw lag in haar nachtpon op de grond in de woonkamer. Ze voelde koud aan. En wat was ze broos! De armen en benen die uit haar dunne nachtpon staken waren zo knokig, dat ze heel grote handen en voeten leek te hebben. En haar vel was zo droog dat het haast zeer deed om ernaar te kijken. We durfden haar niet op te tillen, bang om iets te breken. We belden haar dochter en de dokter. Tegen de wil van de buurvrouw.
Gister zag ik mijn moeder net zo kwetsbaar als de buurvrouw destijds. Niet gevallen en onderkoeld gelukkig, maar erg ziek, net zo knokig en net zo afhankelijk van anderen die haar tillen en verzorgen. In een flits was ik terug bij die broze buurvrouw van toen.
Met de buurvrouw liep het destijds niet goed af: haar dochter liet na een week een opkoper het huisje leeghalen en regelde een verpleeghuisopname. De buurvrouw wilde maar één ding: terug naar haar huisje. Toen ze doorkreeg dat dat niet mocht, weigerde ze te eten. Een dag voor ze naar het verpleeghuis zou verhuizen, stierf ze.
Mijn moeder is thuis in haar flat, staat op de wachtlijst voor een verzorgingshuis omdat ze er zelf ook de noodzaak van inziet, maar wordt nu - zolang ze ziek is en zolang het ons lukt - door ons, kinderen, verzorgd.
Een week geleden had ze verteld over de honderdjarige die ze had ontmoet in het verzorgingshuis waar ze nu ook is aangemeld en dat ze misschien ook wel zo oud zou willen worden. Alleen die kwalen hè, die waren wel lastig en het werden er steeds meer. Maar dood wilde ze nog lang niet. Ze is nu flink ziek, maar als het aan haar en aan ons ligt, gaat ze die honderd nog halen. Nog elf jaar te gaan.
